Goethe in Dachau

goethe_in_dachau_ned
23,00 € each

6 items in stock
+
Add to cart

 

De bevrijding komt voor hen op 29 april, om 17.28 uur. Om halfzeven in de ochtend van die dag schrijft Nico Rost in zijn dagboek Goethe in Dachau:

De ss heeft een witte vlag uitgestoken! Bij de ingang van hun kamp. De opwinding bij onsis onbeschrijflijk. Ieder die er maar enigszins kans toe ziet, loopt naar de appèlplaats, van waar we ze kunnen zien. Met ogen vol hoop en verlangen – maar toch nog vol  wantrouwen – staren we naar deze ietwat gore, niet eens bijzonder witte, kleine vlag, die in de sterke wind knettert en wappert, zoals een vlag moet wapperen. Zijn de Amerikanen reeds zo dichtbij? Zou de achtergebleven ss het kamp nu toch overgeven – zonder strijd? Zonder ons van tevoren af te maken? Ik heb echter zelfs in de witte vlag van de ss geen vertrouwen. Waarom zijn de wachttorens rondom het kamp nog steeds met ss bezet? Waarom is er gisteren nieuwe munitie heengebracht? Waarom zijn de mitrailleurs nog steeds dreigend op onze barakken gericht? Nee: ss blijft ss – tot ze vernietigd is…

De laatste weken is de spanning in het kamp evenredig gestegen met het aantal doden. Nico Rost, die een baantje heeft in de almaar vollere ziekenbarakken, moet de aantallen aan vlektyfus, honger en uitputting overleden gevangenen bijhouden: ‘12 april – vannacht weer 148 doden; en toen ik om 12.30 naar de Desinfectie moest, lagen achter de barakken alweer minstens twintig lijken. […] 15 april – 220 vandaag.’ Er is steeds minder te eten, en dan kan het overlijden van de een het overleven van de ander betekenen. Rost: Als de doden, de dag waarop ze sterven, nog in het ‘rapport’ staan, wordt toch brood voor hen gehaald; dat wil zeggen wanneer ze na acht uur’s avonds doodgaan – nadat de blokschrijver de lijst heeft opgemaakt. Hoe meer doden, des te meer brood voor wie nog niet dood zijn. Nooit is de wrede realiteit van het woord: ‘De een zijn dood is de ander zijn brood’ zo tot me doorgedrongen als hier.

Op 10 juni 1944 was Nico Rost in Dachau aangekomen, als gevangene van een land voor wiens cultuur de linkse letterkundige altijd zo’n bewondering had gehad. Twintig jaar eerder was hij in Berlijn gaan wonen, toen het culturele centrum van Europa, waar in de cafés en restaurants Marx een steeds weer terugkerend gespreksthema was, zo kort na de Russische revolutie. Een bezoek aan Moskou was voor velen van hen een vast uitstapje; Rost liep er rond op de dag dat Lenin begraven werd, hij ging op bezoek bij de revolutionaire dichter Vladimir Majakovski, een paar jaar later bezocht hij met kunstenares Käthe Kollwitz Lenins mausoleum. In Berlijn ging hij deel uitmaken van de artistieke cercle; hij ontmoette er schrijver en dichter Gottfried Benn, de ‘razende reporter’ Egon Erwin Kisch, de arts en schrijver Alfred Döblin, die hem verzorgde toen hij ziek was en wiens Berlin Alexanderplatz hij vertaalde. Met de meesten maakte hij kennis via zijn vriend Carl Einstein. Het was 1923 toen die eens bij hem thuis op bezoek wilde komen, maar Rosts huisbaas wilde Einstein eerst niet binnen laten: ‘Ik wil die jood niet op mijn grond.’ De man was echter afhankelijk van Rosts met sterke Nederlandse guldens betaalde huur. Langzaam maar zeker werd Hitlers NSDAP machtiger. Rost, in 1966 tegen Bibeb: ‘Het was de tijd van de werkloosheid à la Colijn. Ik heb er de mensen almaar corrupter zien worden.’

In 1931 was de invloed van de NSDAP al groot genoeg om Carl von Ossietsky achter de tralies te krijgen. De hoofdredacteur van Die Weltbühne, het lijfblad van Berlijns links-artistieke milieu, had in zijn blad artikelen gepubliceerd tegen de geheime hermilitarisatie van Duitsland, en dat was voldoende voor een veroordeling wegens ‘landverraad’. Samen met onder meer de gevierde schrijver Arnold Zweig begeleidde Rost Von Ossietsky naar de gevangenis. ‘Dat moment zal ik nooit vergeten. Toen we afscheid van hem namen, zei Zweig: “Daar gaat de echte Duitse republiek de gevangenis in.”’ In 1932 werd Von Ossietsky vrijgelaten, maar toen Hitler eenmaal aan de macht was gekomen, werd hij onmiddellijk opgesloten in het concentratiekamp Esterwegen. In 1936 kreeg Von Ossietsky de Nobelprijs voor de Vrede, maar hij heeft hem nooit in ontvangst mogen nemen; twee jaar later overleed hij in gevangenschap.

Nico Rost ontsnapte in 1933 evenmin aan de nazi’s. ‘Ik werd al gauw wegens omgang met Joden en marxisten gearresteerd en naar Oranienburg gebracht. Daar heb ik voor het eerst meegemaakt dat Joden met jubelgeschreeuw werden binnengebracht, getrapt en geslagen.’Twee weken later werd hij weer vrijgelaten, dankzij de bemiddeling van nota bene Max Blokzijl,toen correspondent voor het Algemeen Handelsblad in Berlijn. Tijdens de oorlog zou Blokzijl de Nederlandse woordvoerder voor de Duitse bezetter worden en in 1946 worden geëxecuteerd.

Op de avond na zijn vrijlating kreeg Rost bezoek: de Ortsgruppenleiter van de NSDAP, Horst Seyering. De failliete winkelier was er door zijn lidmaatschap van de gemeenteraad in geslaagd stukken grond van Joden te bemachtigen, ondanks de oppositie daartegen van het socialistische raadslid Erich Werst. Seyering verzocht Rost een aantal ‘objectieve’ artikelen te schrijven. Tevens leek het hem een goed idee als het tienjarige zoontje van Rost lid zou worden van de Pimpfe, de onderafdeling voor tien- tot veertienjarigen van de Hitler-Jugend; Seyerings zoon Horst, leider van de plaatselijke Pimpfe, stond buiten al te wachten. Rost weigerde en werd Duitsland uitgewezen. Twee jaar later las hij dat in de buurt van Berlijn het lijk was gevonden van Erich Werst, en dat de vermoedelijke dader de plaatselijke leider van de Hitler-Jugend was: Horst Seyering. ‘Toen ben ik verschrikkelijk geschrokken. Ik schreef: fascisme is moord.’

Als verslaggever voor een Belgisch blad reisde Rost, die in Brussel was gaan wonen, naar Spanje, waar inmiddels de Burgeroorlog was uitgebroken. Na de nederlaag van de Republikeinen keerde Rost terug naar het noorden en werd er de vaste contactpersoon voor de uit Duitsland gevluchte schrijvers, wier werk hij vertaalde. Voor de nazi’s werd hij, toen Nederland en België eenmaal bezet waren, een belangrijk doelwit.
Hij werd actief in het verzet, begin 1943 volgde in België zijn arrestatie. Een halfjaar lang zat hij in het Scheveningse huis van bewaring (het ‘Oranjehotel’), daarna werd hij overgebracht naar Kamp Vught. Daar zat hij gevangen met onder meer professor Ben Telders. ‘Als ik eruit kom ga ik meer over Hegel lezen,’ zei hij tegen de vooraanstaande hegeliaan. ‘Die antwoordde: “Dat kan hier ook,” en terwijl we op appèl stonden, te midden van het geschreeuw, gaf hij colleges over Hegel.’

Ten slotte werd Rost getransporteerd naar Dachau. Al meteen op de eerste dag van zijn gevangenschap in het Zuid Duitse concentratiekamp besloot hij, op bijeengescharrelde stukjes papier, een dagboek bij te houden. Een levensgevaarlijke bezigheid, want als de ss’ers het hadden gevonden, zou hij als NN-gevangene (de speciale ‘Nacht und Nebel’-categorie, door Hitler ingesteld om verzetsmensen spoorloos te laten
verdwijnen) ongetwijfeld onmiddellijk zijn geëxecuteerd.

De Oberpfleger van het Revier echter was hem welgezind en wees hem een plek waar hij zijn aantekeningen kon verbergen. Lezen en schrijven werden voor Rost de strohalmen waaraan hij zich in Dachau kon vastklampen.

Ik ben veel rustiger als ik lezen en schrijven kan, en het zal me helpen, niet altijd aan huis te denken, aan Edith. En niet aan eten, niet wanneer de oorlog afgelopen is. […] Het is in de eerste plaats een middel om al mijn gedachten en m’n energie op de literatuur te concentreren – elke dag opnieuw als het gaat. Een soort zelfverdediging dus. En tot nu toe heeft het me geholpen. Natuurlijk denk ik veel aan thuis en aan de politieke problemen van nu en later, aan vele vrienden, aan beter eten, aan het feit of ik luizen
heb of niet en of het beest dat mij gisteren beet een luis of een vlo is geweest, maar in de eerste plaats kan ik niet alles opschrijven en in de tweede plaats wil ik dat in geen geval. Ik zou dan immers steeds opnieuw uiting moeten geven aan m’n onrust en verlangen, en ik wil me toch juist disciplineren en m’n gedachten over dit alles, over de materie hier – de materie van ss, een korst brood en dunne soep, van luizen en vlooien – de baas laten blijven. Een vlucht in de Literatuur? Ik kan dit niet zo precies analyseren, maar ik weet wel dat ik daardoor de werkelijkheid niet uit het oog verlies. Daar zorgt ze trouwens zelf wel voor.

In Dachau kwam hij al snel bekend te staan als ‘der verrückte Holländer, der Bücher und Papier frisst’. Zijn medegevangenen bezorgden hem de zo kostbare boeken, soms mocht hij een boek lenen uit de bibliotheek van het kamp. Hij las en bediscussieerde vooral veel klassieke Duitse literatuur, want hij bleef zich voorhouden dat de nazi’s niet synoniem waren aan Duitsland. Het ‘andere Duitsland’, daar ging het om, het Duitsland van de grote cultuur, en daarom ook zou hij zijn dagboek Goethe in Dachau noemen.Tegen Bibeb zou hij daarover zeggen: ‘Goethe is voor mij een hele grote meneer. Hij is de cultuur. Voor mij was het probleem, wat die cultuur in zo’n kamp nog waard is. Ik moest dat boek schrijven.’

Op een van de eerste pagina’s van dat boek gaf hij het thema aan:

Hoe was het begin? Door m’n voorliefde voor Duitse literatuur heb ik me sedert 1933 bijna vereenzelvigd met de uitgeweken Duitse schrijvers, en hun zaak tot de mijne gemaakt, tientallen artikelen te hunnen gunste geschreven – protesten en oproepen, lezingen en meetingen georganiseerd. Hun zaak verdedigen was voor mij het fascisme bestrijden. Mijn Duitse vrienden waren de eersten die het aanvielen en mijn sympathie was dus gerechtvaardigd. Ze hebben – toen ze emigreerden – de grote lijn van de Duitse literatuur doorgetrokken. Ik ben me toen – meer dan vroeger – in de Duitse klassieken gaan verdiepen en begonnen ze met andere ogen te lezen. Door een andere bril. Besefte daardoor nog duidelijker dat Goethe en Schiller, Herder en Hölderlin zullen leven wanneer alle Bindings en Johsten, alle Dwingers en Bluncks al lang vergeten zijn. Erisimmers een blijvende Duitse literatuur en er is een nazi literatuur die spoedig genoeg verdwijnen zal.

Een van zijn belangrijkste gesprekspartners in Dachau werd een oude vriend uit Berlijn, die hij vaak tegen was gekomen bij Egon Erwin Kisch: de Oostenrijkse arts, schrijver en verzetsman Emil Rheinhardt. Gedreven stortten ze zich op ieder boek dat ze te pakken konden krijgen en voerden lange discussies over vooral de Duitse literatuur. Op 25 februari 1945 overleed Rheinhardt, en Nico Rost schreef:

Ik ben hem nog gaan zien, om hem een laatste keerte groeten,toen hij in het straatje bij de Totenkammer lag, tussen de meer dan 150 andere doden van de afgelopen nacht. Hij was bijna onherkenbaar, zijn gezicht gezwollen en krampachtig vertrokken. Het allerergst bij deze dood, bij de dood van al onze vrienden is: we hebben hier niet eens tijd om over hen te treuren. Het kampleven dwingt ons elk uur, elke minuut zijn tempo op. En elke dag zijn er nieuwe doden,steeds nieuwe doden… Ik moet steeds aan zijn ogen denken, zoals ze me gisteren aanstaarden te midden der andere naakte lijken, op de natte stenen, half in de goot, met om hem heen vuile papieren verbanden, etter en geronnen bloed. ‘Het Oxford van het concentrationair universum,’ zo karakteriseert Boebie Brugsma Dachau. Het was het eerste officiële concentratiekamp dat de Duitsers bouwden, het was het laatste dat de geallieerden bevrijdden.